Kind Doen Art Activity

GOGNITIEVE

FUNCTIES

 KINDEREN 

Dit zijn cognitieve processen om ons gedrag, gedachten en gevoelens doelgericht aan te sturen. Deze cognitieve processen worden tijdens alledaagse en schoolse vaardigheden continu gebruikt. Het zijn onze visueel ruimtelijke, denk- en doe vaardigheden.

Hierbij maken we het onderscheid tussen visueel-ruimtelijke vaardigheden en executieve functies. Hieronder kan u meer informatie vinden.   

1.Visueel-ruimtelijke vaardigheden
Visuele perceptie en ruimtelijke oriëntatie

Hieronder verstaan we het kijken zelf en hieraan een betekenis geven.

Het volledige proces bestaat uit kijken -->plannen -->uitvoeren.

Voorbeelden: 

  • Visuele discriminatie: onderscheiden van vormen, kleuren, richtingen van voorwerpen/figuren.

  • Positie inschatten van voorwerpen in de ruimte of tegenover elkaar.

  • Figuur-achtergrond waarneming. Bepaalde voorwerpen zoeken , verschil zien tussen voorwerp en achtergrond.

  • Voorstellingsvermogen: een beeld een bepaalde periode kunnen vasthouden.

  • Onderscheid maken tussen verschillende letters en cijfers, figuren, voorwerpen,..

  • Puzzelen

  • Nabouwen van voorbeelden

  • Inzicht in grafieken, tabellen, kaarten

  • Positie, afstand en richting van zichzelf, anderen en voorwerpen in de ruimte

  • Kennen van ruimtelijke begrippen zoals naast, voor, achter, op, onder, tussen,..

  • Van staand leren naar zittend leren (van horizontaal naar verticaal vlak)

  • Van werkelijke ruimte (driedimensionaal) naar abstracte ruimte (tweedimensionaal)

    • Bv het gras aanduiden in de tuin naar het gras aanduiden op een foto

    • Bv het berekenen van de oppervlakte van een cilinder aan de hand van materiaal naar het berekenen op papier zonder materiaal

  • Teken- en schrijfvaardigheden

2. Executieve functies

Dit zijn belangrijke vaardigheden in het dagelijks leven en leren. Deze worden geprikkeld tijdens de therapie sessies. Indien er bij bepaalde executieve functies in het dagelijks of schoolse leren meer moeilijkheden voordoen kunnen we hier meer specifiek op oefenen. De executieve functies bestaan uit denk- en doe vaardigheden. Hieronder worden ze even uitgelegd. 


      a. Denk vaardigheden:

  • Planning: Het kind kan een plan bedenken om een doel te bereiken.

    • Enkele voorbeelden: Plan maken om blokken te bouwen, hoe starten aan een taak.

  • Organisatie: Het kind kan iets ordenen volgens een bepaalde methode.

    • Enkele voorbeelden: Op tijd aan huiswerk beginnen, alle nodige materialen mee naar school nemen, geen materialen kwijtspelen, op de juiste pagina schrijven, overzicht kunnen behouden van taken/activiteiten.

  • Timemanagement: Het kind kan inschatten hoeveel tijd er nodig is om een taak te maken en weet hoe hij/zij de tijd kan indelen.  

    • Enkele voorbeelden: Hoe lang heb ik nodig om mijn huiswerk te maken, wanneer moet ik beginnen aan mijn huiswerk, wanneer moet ik opstaan om voldoende tijd te hebben, wanneer vindt wat plaats tijdens de dag/week.

  • Metacognitie: Het kind denkt na over zijn/haar eigen handelen.

    • Enkele voorbeelden: nadenken hoe een taak verlopen is, ga je het volgende keer nog zo doen, nadenken wat het probleem kan zijn in een probleemsituatie, hoe kan ik het volgende keer beter doen.

  • Werkgeheugen: Het kind kan informatie onthouden wanneer een taak uitgevoerd wordt.

    • Enkele voorbeelden: volgen van instructies, spelregels volgen, technisch kunnen lezen, afzonderlijke klanken kunnen onthouden om er een woord van te maken, verschillende instructies in 1 keer onthouden.
       

b. Doe- vaardigheden:

  • Reactie-inhibitie: Het kind denkt na voordat hij/zij iets doet.

    • Enkele voorbeelden: Kunnen wachten om het antwoord te geven, Je beurt afwachten, kunnen wachten vooraleer je mag gaan spelen, meteen kunnen stoppen bij bewegen als muziek stopt, kunnen stilzitten.

  • Emotieregulatie: Het kind kan zijn emoties reguleren. 

    • Enkele voorbeelden: zenuwen voor een toets kunnen beheersen, speelgoed met andere delen, rustig zijn wanneer je verliest.

  • Volgehouden aandacht: Het kind kan een langere tijd zijn aandacht bij de taak houden.

    • Enkele voorbeelden: een taak kunnen afmaken zonder te stoppen, naar de instructie van de juf blijven luisteren.

  • Taakinitiatie: Het kind kan starten aan een taak waarbij geen uitstel plaatsvindt.

    • Enkele voorbeelden: onmiddellijk starten aan je huiswerk, na de pauze onmiddellijk terug starten met een opdracht, na het spelen onmiddellijk alles opruimen.

  • Cognitieve flexibiliteit: Het kind kan zich snel aanpassen aan veranderde omstandigheden.

    • Enkele voorbeelden: kunnen omgaan met veranderingen in routines/plannen, een andere aanpak moet proberen als iets niet lukt, iets vanuit een ander standpunt bekijken, vlot aanpassen aan nieuwe situaties/personen, shiften van spelen naar opruimen.

  • Doelgericht gedrag: Het kind kan zelf doelen stellen en hiernaar handelen.

Hoe gaan we te werk?

 

Tijdens therapie wordt er meestal gewerkt aan de hand van het probleem oplossend vermogen van het kind of de jongere. Deze wordt de CO-OP (Cognitieve Orientation to Daily Occupational Perfocmance) methode genoemd.

 

=Een methode om nieuwe vaardigheden aan te leren en om moeilijkheden bij bestaande vaardigheden op te lossen, waarbij er gebruik gemaakt wordt van het probleemoplossend vermogen van het kind.

 

Het kind: is actief bezig met het oplossen van problemen. Het kind stelt elke vraag hardop en op elke vraag moet hij/zij een oplossing bedenken.

De ergotherapeut: geeft het kind feedback en stelt vragen om bij dit oplossen te helpen.  

 

  1. Het kind begeleidt zichzelf bij het oplossen van een probleem door hardop te praten.

  2. Meichenbaum probleemoplossende structuur: GOAL-PLAN-DO-CHECK =Een zelfinstructiemethode om zelfstandig te leren werken. 

 

  1. Het kind kiest zelf de doelstellingen

  2. Het kind is gemotiveerd om een nieuwe taak te leren

  3. De methode wordt thuis/ op school toegepast

 

Doelen van de CO-OP strategie:

  1. Het leren van vaardigheden of het verbeteren van vaardigheden.

  2. Het ontwikkelen van een cognitieve strategie (probleemoplossende strategie)

  3. Generalisatie en transfer: kunnen toepassen in meerdere situaties

 

 

Tijdens therapie gaan we de visueel ruimtelijke vaardigheden versterken en/of compensatie strategieën aanleren zodat het kind of de jongere met deze moeilijkheden leert omgaan. Ook kunnen we de omgeving of werkmateriaal (zoals bv bank, schoolboeken) aanpassen.

 

Tijdens therapie gaan we van concreet, naar abstract en indien mogelijk naar schematisch leren.

Concreet= echt materiaal

Abstract= getekend materiaal

Schematisch= symbolen

 

Bijvoorbeeld bij het oplossen van 4 + 3.

Concreet:  Het kind gaat rekenen aan de hand van concrete objecten bijvoorbeeld knuffels.

Abstract: De knuffels worden getekend of het gaat deze knuffels zelf tekenen op papier om de oefening op te lossen.

Schematisch: Het kind kan 4 +3 zo oplossen.

 

Bijvoorbeeld bij oefenen van de begrippen voor, achter, naast.

Concreet: Het kind gaat voor, achter, naast een stoel staan

Abstract: Het kind tekent voor, achter en naast een stoel een kruisje op papier

Schematisch: Het kind kan het zich zo voorstellen. 

 

Bijvoorbeeld bij het berekenen van de oppervlakte van de cilinder

Concreet: De jongere maakt gebruik van een echte cilinder die hij/zij kan vastnemen.

Abstract: De jongere tekent de cilinder op papier om deze te kunnen berekenen.

Schematisch: De jongere gebruikt enkel de formule en de gegevens van de cilinder om de oppervlakte te berekenen.

Wat verstaan we onder cognitieve functies?
autisme Therapie

Cognitieve functies - Samen ertegenaan

Maak een afspraak

Wens jij een afspraak te maken voor je kind, jezelf, een familielid? Aarzel dan zeker niet om contact op te nemen. Samen werken we namelijk een persoonlijke aanpak uit, volledig op maat. 

Na het eerste intake gesprek kan u nog kiezen of u al dan niet verder gaat met de therapie.